
111
Opnameweergave
Bij de weergave van een enkele opname, van een opname met opname-
informatie, van een index of van een vergrote opname, kunt u vooruit- of
terugspringen naar opnamen die op de CF-kaart zijn opgeslagen.
1
Geef de opname weer.
2
Ga naar de opnamesprong.
¡ Druk op de knop <C>.
s Rechtsonder in het scherm wordt
de springbalk weergegeven.
¡
Bij de weergave van een enkele opname of
van een opname met opname-informatie
kunt u de springmethode wijzigen
(10 afbeeldingen/100 afbeeldingen/Datum)
door te drukken op de toets <
V
>.
3
Spring vooruit of achteruit.
¡ Druk op de toets <U>.
¡ Als u opnamesprong wilt beëindigen,
drukt u op de knop <C>.
De springbalk verdwijnt dan.
Springen tijdens weergave van enkele opname of de weergave
opname met opname-informatie
10 afbeeldingen of 100 afbeeldingen voor- of achteruit springen
Druk op de toets <
Y
> om 10 afbeeldingen/100 afbeeldingen terug te gaan. Of
druk op de toets <
Z
> om 10 afbeeldingen/100 afbeeldingen vooruit te gaan.
Op datum springen
U kunt springen naar een opname die op een bepaalde datum is gemaakt. (Als er
meerdere opnamen met die datum bestaan, wordt de eerste opname met die
datum weergegeven.) Druk op de toets <
Y
> om terug te springen naar een oudere
opname. Of druk op de toets <
Z
> om vooruit te gaan naar een nieuwere opname.
Opnamesprongen maken in de vergrote weergave
Draai het instelwiel <
6
> linksom om tien afbeeldingen achteruit te springen of
draai het rechtsom om tien afbeeldingen vooruit te springen. Tijdens het springen
in de vergrote weergave blijven de vergrote positie en de vergroting gehandhaafd.
Opnamesprongen maken in de indexweergave
Druk op de toets <Y> om 9 afbeeldingen terug te gaan. Of druk
op de toets <Z> om 9 afbeeldingen vooruit te gaan.
C Opnamesprong
Springbalk
Het gebruik van de opnamesprong
Comments to this Manuals